De Geschiedenis van Soerendonk

 

Gemeente Soerendonk 1811-1924

Soerendonk was in de Middeleeuwen net als Budel, Gastel en Maarheeze een onderdeel van de baronie van Cranendonck. Hierbinnen maakte het met Maarheeze en Gastel één schepenbank uit. De drie dorpen vormden dus samen een rechterlijke en bestuurlijke eenheid. Rond 1700 gingen de drie plaatsen overigens wel financieel grotendeels zelfstandig opereren, doordat ze elk een eigen dorpskas gingen voeren. Gastel hoorde daarbij aanvankelijk onder Soerendonk. Een aantal gezamenlijke kosten werd onderling omgeslagen. Zo waren er dan ook gezamenlijke en aparte dorpsvergaderingen. Aan het einde van het Ancien Régime, in de Bataafs-Franse periode (1795-1813), veranderde de bestuursstructuur in onze streken. Uiteindelijk werd in de tijd dat ons land deel uitmaakte van het Franse Keizerrijk (1810-1813) de gemeenten in het leven geroepen. Na protesten in 1810 vanuit Soerendonk dat met Maarheeze één gemeente zou moeten vormen, kwamen op 19 december 1811 uiteindelijk de zelfstandige gemeente Maarheeze en een afzonderlijke gemeente Soerendonk (met Sterksel) tot stand. In 1819 werd de gemeente Soerendonk uitgebreid met Gastel, dat tot die tijd tot de gemeente Budel behoorde. Deze situatie bleef zo, totdat de gemeente Soerendonk, Sterksel en Gastel per 1 januari 1925 werd samengevoegd met de gemeente Maarheeze en zo de nieuwe gemeente Maarheeze ging vormen.

Het gemeentewapen van Soerendonk

Op 5 januari 1815 verscheen in het bijvoegsel van het Staatsblad een oproep van de Hoge Raad van Adel. Alle steden, dorpen, heerlijkheden, districten en corporaties, die voorheen een wapen in gebruik hadden, werden uitgenodigd een tekening en beschrijving daarvan in te dienen. Burgemeester Andries van der Sanden (1814-1831) van Soerendonk reageerde daarop met een brief aan de Gouverneur der Provincie. Daarheen schreef hij dat Maarheeze, Soerendonk en Gastel voorheen gecombineerd waren onder de titel “Baronie van Kranendonk” en dat die als “algemeen wapen” een kraanvogel hadden. Daarom verzocht hij voor de gemeente Soerendonk ook in het bezit daarvan te worden bevestigd. De gemeente Soerendonk kreeg op 31 augustus 1818 bij Koninklijk Besluit als wapen verleend: “Een schild van lazuur beladen met een kraanvogel in natuurlijke kleur”. Het originele diploma dat de Hoge Raad van Adel hiervan op 14 oktober van dat jaar opmaakte, wordt nog steeds bewaard in het gemeentehuis van Cranendonck te Budel. In de omschrijving staat niet aangegeven dat de kraanvogel is omgewend (d.w.z. voor de toeschouwer naar rechts kijkt, en dat hij op twee poten staat. Anders dan het wapen van de voormalige gemeente Maarheeze lijkt de afbeelding van de kraanvogel in het Soerendonkse wapen erg op de vogel uit het schependomszegel, die immers ook naar rechts gaat en op twee poten staat. De Noordbrabantse commissie voor wapen- en vlaggenkunde heeft in haar rapport van september 1996 voorgesteld het oude Soerendonkse gemeentewapen als dorpswapen voor Soerendonk vast te stellen, echter in de Cranendonckse kleuren: rood op zilver. Hieraan is, evenals voor het andere voorgestelde dorpswapen in de gemeente Cranendonck (Gastel) tot op heden geen uitvoering gegeven.

De ambtsketen van Soerendonk

Als uitvloeisel van de nieuwe Grondwet van het Koninkrijk der Nederlanden van 1848 werden via de gemeentewet van 1851 de onderscheidingstekenen voor de burgemeester aangekondigd. Deze moesten door de koning worden bepaald, evenals de gelegenheden, waarbij deze gedragen moesten worden. Het Koninklijk besluit van 16november 1852 regelde daarop de door de burgemeester met ingang van 1853 te dragen onderscheidingstekenen, tenminste voor wat de ambtsketen aangaat. Het besluit gaf een precieze omschrijving van de penning en de keten of het lint en de momenten waarop deze gedragen moesten worden. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant stelden hierop bij circulatie van 23 november 1852 aan de gemeenten voor om tot de aanschaf van een onderscheidingsteken voor de burgemeester op kosten van de gemeente over te gaan. Hierdoor was de keten ook eigendom van de gemeente. Op dezelfde dag als haar buur in Maarheeze besprak de Raad van de gemeente Soerendonk op 15 december 1852 de aanschaf van een ambtsketen en in nagenoeg dezelfde bewoordingen noteerde men in Soerendonk: “in dezelfde vergadering is door den gemeenteraad besloten dat de onderscheidingstekenen door den burgemeester te dragen zullen worden bekostigd door de gemeente kas en dat zij vervolgens dan ook het eigendom der gemeente zullen blyven. Verder is nog besloten om deze penning te dragen aan eene zilveren keten”. Er is nog iets dat lijkt op onderlinge contacten over-en-weer tussen Maarheeze en Soerendonk over deze zaak: ook in de deze laatste plaats kreeg de Helmondse zilversmid J.F. Hermans de opdracht om de ketting en de penning te leveren.
De laatste burgemeester van Soerendonk was Jan Damen (1903-1924) Hoewel de gemeente Soerendonk al meer dan 80 jaar niet meer bestaat, zijn er dankzij de zorg en aandacht twee bijzondere symbolen van deze voormalige gemeente bewaard gebleven: het originele wapendiploma en de originele ambtsketen van Soerendonk.

Namen

In een kleine leefgemeenschap kan men soms niet volstaan met het noemen van de voornaam en achternaam. Wie in Soerendonk Ras of Van Mierlo heet moet in de sociale omgang iets aan de familienaam toevoegen, anders kom je niet ver. De familie Ras in Soerendonk stamt af van Heribertus Erasmi, geboren ca. 1650 in Budel.
Degenen die in Soerendonk anno 2000 de achternaam Ras dragen geven de volgende toevoegingen aan hun naam: van Jan van de Strieperdiek; van Frènskes(= houthandel); van Toon de melkboer; van Toon de Schoenmaker. Hetzelfde geldt voorde naamdragers Van Mierlo. De Van Mierlo’s van Soerendonk allemaal af van Antonius Andreas die in 1677 in Mierlo werd geboren. Hij trouwde in 1706 in de kerk van Maarheeze met Theodora Driessen; dit echtpaar ging in Soerendonk wonen en nam toen de herkomstnaam Van Mierlo aan. Er wonen heel wat nazaten van dit echtpaar in Soerendonk en omgeving. Alle Van Mierlo’s in Soerendonk voeren een zgn. toenaam: van Keesse, van Neelkes, van Trujje, van Ciesse, van Driske van de Beek, van de kapper, van Berkers, van Nelle, van Klöskes, van Tuüme, van de Schroet, van Miet, van Sjang, van Sjef, enz. enz. Kortom er zijn van Mierlo’s en Rassen genoeg in Zurrik.

Zurrik rond 1940

Er waren ongeveer 75 gezinnen die met boeren de kost verdienden en ongeveer 40 burgers (mensen in loondienst) Dan waren er 22 winkels:

Dientje Krol...........................Textiel
Nölleke Bex............................Textiel
Toon Ras.................................Schoenmaker en Schoenwinkel
Nel Verhoeven.......................Levensmiddelen
Joan v/d Kruys......................Slagerij
Piet Brugmans......................Elektriciteit
Wim Bakermans...................Levensmiddelen en bakkerij
Driekske van Gennip..........Levensmiddelen
Dris Huibers..........................Fietsenwinkel
Thijs de Laat.........................Slagerij
Harrie van Mierlo................Kapper
Juffrouw Rief........................Huishoudelijke artikelen
Gradje Pels.............................Levensmiddelen en Postkantoor
Piek Emmers..........................Textiel
Boer Aarts...............................Levensmiddelen
Nel Aarts.................................Levensmiddelen
Sien van Wötje Smits..........Levensmiddelen
Betje Vlassak........................Textiel en naaister
Driek van Hooff....................IJzerwaren en smid
Frans van Gennip................IJzerwaren en loodgieter
Jan Meurkens........................Levensmiddelen en veevoeder
Tinus van Knippenberg......Sluis veevoeder

Verder waren er nog een aantal inwoners met andere beroepen zoals:
* Coep Bosch was klompenmaker
* Hanneske Rooijakkers was schoenmaker en reparateur van paarduitrustingen
* Thijs de Laat, Joan van de Kruys en Harrie Govers waren de huisslachters
* Noar Mennen was dakdekker
* Jan Dielissen was aannemer
* Pauw Dielissen had een timmerbedrijf
* Ut Mölderke was kolenboer
* JanTeuwens en Noares Vos hadden een maalderij
* Trui de Bout (Rooymans) reed de taxi. ( Toen de enige auto in Zurrik)
Retourtje Weert kostte 1 gulden

Er waren in Zurrik 6 café’s :
Trui de Bout, de Valk(gezusters Groenen)
Piet Brugmans, Thijs de Loat
’t Haantje (Fried Aarts later café Frans Maas)
Nel van Tuüme (Nel van Mierlo). Nel was tevens de vroedvrouw.
Driek Damen was de verloskundige en Leo Damen de kassier van de Boerenleenbank.

Gradje Pels en Joep Vlassak waren de zaakvoerders van de boerenbond.
Gradje Stöls en Jan Millen waren de eierinpakkers van de Eierbond.
Willem Groenen was de biereboer en Jan van der Wiel de stierenhouder.
Veel mensen hadden toen twee of zelfs drie beroepen.

Mensen die op de Zinkfabriek werkten hadden thuis vaak een paar koeien, een zeug en wat mestvarkens en nog een hok met kippen.
Nel van Tuüme had een boerderij, een café en was vroedvrouw.
Trui de Bout had café en reed taxi.
Noar Mennen was dakdekker, hij vlocht manden, maakte bijenkorven en was boer. Hij had geen paard, hij ploegde nog met een koe. Noares Vos was boer, had een maalderij en was loondorser. Met zijn dorskast en zijn tractor ging hij bij de boeren dorsen. Ook repareerde hij naaimachines.

Boekennieuws

Boeiende kijk op gilde- en dorpsgemeenschap Soerendonk “Sint Jan" 1945.
De oorlog is voorbij en alom klinkt het in den lande: “Nederland moet herrijzen”. Onze wapens zijn ingenomen, de molen die als schutsboom fungeerde, is gesloopt, onze kas is berooid en het ledental is geslonken tot 26. Ook hier moet dus van een herrijzenis sprake zijn, wil er in de toekomst een bloeiend gilde blijven bestaan. En die opbloei zal er komen”. Het zijn deze woorden die secretaris Willem G. van Exel van het Soerendonkse Sint-Jansgilde kort na de oorlog noteerde, die zijn kleinzoon, Wim van Exel, tot uitgangspunt maakte van de bundel die verscheen bij het 350-jarig jubileum van het gilde in 1994.

Het boekje (15 x 21 cm. 92 pagina’s) kreeg uit bovengenoemd citaat de titel mee: “En die opbloei zal er komen.” Een welgekozen titel die het kader van het boekje goed aanduidt: de naoorlogse opbouwperiode van het Soerendonkse gilde. Hoewel de leeftijd van het gilde (350 jaar) daar alle aanleiding voor geeft, beschrijft het dus niet “de (gehele) geschiedenis”van het gilde.
Het is de boeiende tijd van opbouw van het gilde, van de kleine vooroorlogse “klompensectie”, tot de door gedrevenheid en enthousiasme steeds meer uitgroeiende groep, tot een van de belangrijkste verenigingen van Soerendonk. Een vereniging die een mooie afspiegeling vormde van en stond midden in die naoorlogse “Zurrikse” gemeenschap. Lid werd je van vader op zoon, via je familie en andere relaties. Lid ook werden kasteleins die het gilde graag in hun café ontvingen, en lid werden de pastoor voor de geestelijke en de burgemeester voor de wereldlijke bijstand. We zien het gilde opklimmen in ledental, in het meedoen aan wedstrijden, het behalen van prijzen ( in de jaren ’50 werd er een speciale prijzenkast gemaakt).

Het Sint-Jansgilde treedt steeds vaker naar buiten in en buiten de eigen gemeente. Dit alles stelde eisen aan opleiding van vendeliers, tamboers en aan uitrusting. De zusters van Aarle-Rixtel vervaardigden in 1949 een nieuw vaandel, hoewel zij dat niet volgens gemaakte afspraken handmatig maar, naar later bleek, machinaal deden! Voor de aanschaf van kostuums werden enige jaren drukbezochte dansfeesten georganiseerd, vermoedelijk tot dat de pastoor daar een stokje voor stak. Het gebruik van een schietterrein leidt tot correspondentie met de gemeente en de KMA.

Nieuwjaarzingen

Een oud gebruik in Soerendonk is om met oudejaarsdag te gaan nieuwjaarzingen. De avond ervoor worden de zakken en de kleren klaargelegd en de kinderen moeten op tijd naar bed om ’s-Morgens vroeg wakker te zijn. Ongeveer om 8 uur als het nog wat donker is, gaan de kinderen in kleine groepjes op stap om te gaan zingen. Bij alle huizen in Soerendonk wordt dan het nieuwjaarslied gezongen waarna de bewoners de kinderen belonen met wat geld. Eerst was dat een cent (1/100 gulden), wat later een knap of stuiver (5/100 gulden) werd, en tegenwoordig al 5 of 10 eurocent is. Rond twaalf of een uur is het afgelopen en hebben de kinderen zoveel mogelijk huizen aangedaan om hun lied te vertolken.

Vroeger was het trouwens een van de weinige keren dat er iemand aan de voordeur kwam. Mensen van Soerendonk gingen altijd anders altijd achterlangs. Een enkele keer ging men aan de achterste deur zingen, wat dan meestal aangegeven was op een stukje papier of karton. Als je ging zingen bij familie kreeg je daar altijd wat meer dan bij diegenen die geen familie waren. Hier ging men meestal ook naar binnen om zich wat te “wermen”, want het kon soms “verèkkes kaauwt zien”. Op een enkele plaats kreeg men niets, iets wat tegenwoordig steeds vaker voorkomt. Dit vanwege het feit dat er steeds meer mensen in Soerendonk komen wonen die hier niet mee opgegroeid zijn en hier ook op geen enkele wijze iets mee hebben.

Als je van de lagere school afging mocht je niet meer meedoen, vandaar dat de tekst van degene in de hoogste klas van de basisschool iets is aangepast. De jongste kinderen gaan aan de hand van hun ouders op pad of met een ouder kind. Thuisgekomen wordt de zak omgekeerd en de buit geteld.

Vroeger werden werkelijk alle huizen in het dorp aangedaan, maar tegenwoordig is dat niet meer te belopen.

Het nieuwjaarlied:

Vrouwke, vrouwke, ni-joar gève,
Ge zult verdeenen ut öwig lèven.
Öwig lèven is bèter gewonne,
Vur ne gulle droad gesponne.
Kiek us in mien körrefke,
Doa liggen drej äppelkes in,
Ève groeët, kroal oet, vrouwke loeët,
Geft wa, spoar wa,
Un ander joar wèr wa.
(Door de hoogste klas van de basisschool wordt als laatste zin:
“Ander joar niks mèr”gezongen.)

Het Zurriks in het Nederlandse dialectlandschap

Het Zurriks is een Brabants dialect want het wordt gesproken in Brabant. Het dialect van Soerendonk lijkt veel op dat van Budel. Voor veel Brabanders klinkt het Zurriks als Limburgs in de oren. Dit komt omdat de meeste woorden die in het Standaard Nederlands lange ij- of ui hebben, in het Zurriks –ie of –oe hebben. Het Zurriks is een on-Brabants dialect. Het ligt namelijk ten zuiden van de Uerdinger linie. De Uerdinger linie is een Isoglosse, een taalverschijnselgrens. Dat het Zurriks bezuiden de Uerdinger linie gesproken wordt, betekent dat men er ICH,MICH en OOCH gebruikt voor IK, MIJ en JOU. Die vormen met –ch op het einde komen ten noorden van deze grens niet voor, dus niet elders in Noord-Brabant, maar wel in Limburg en in het Duitse Rijnland tot aan de Duitse plaats Uerdingen toe. In dit gebied loopt de betoningslijn parallel met de Uerdinger linie dat wil zeggen dat het Zurriks een van de weinige dialecten zijn waar sleep- en stoottonen voorkomen. Voor de meeste Noord-Brabanders komt dit als een beetje zangerig over. Ten derde spreekt men in het Zurriks van HOES en MOES (huis en muis) en van TIED en PIEP (tijd en pijp). Dat betekent dat de West-Germaanse ŭ en ĭ nog zijn bewaard in deze dialecten, terwijl ze elders in Noord-Brabant al heel lang tot andere klanken zijn ontwikkeld. (bijv. haus, hois, taid of teed)
De meeste woorden die in het  Standaardnederlands –ui of lange –ij hebben, hadden in het West-Germaans, een taalstadium waarvan het Nederlands en zijn dialecten afstamt, nog –oe en –ie. Op dit punt is het Zurriks dus zeer conservatief, het heeft de oude klanken gehandhaafd.
Zurriks is het meest Ripuarische dialect in Noord-Brabant. Het Zurriks ligt op de grens tussen het Hoogduits en het Nederduits. Wij spreken een van de zuiverste dialecten van de belangrijkste talengroep van Midden-Europa, nl. het “teotsch”(=Duits of diets), “de taal van het volk”.

.......Klik hier voor het Zurriks woordenboek.....

Winnaar Zurrik-kenner 2007: Stefan Ras

Foto: Stefan krijgt de Zurrik- beker overhandigd door wethouder Frans Strik.
In 2007 was er voor de allereerste keer was er een prijsvraag op www.zurrik.com
De winnar van deze eerste prijsvraag was Stefan Ras.

Winnaar Zurrik-kenner 2008: Jan Doezé

Foto: Jan krijgt de Gouden Gerrit overhandigd door wethouder Frans Strik.
Tot het laatste moment bleef het spannend rond de prijsvraag op www.zurrik.com Wie mag zich Zurrik-kenner 2008 noemen? Na wekenlang speurwerk door “Het leukste gat van Nederland” werd uiteindelijk duidelijk dat de ware Zurrik-kenner voor 2008 niemand minder is dan Jan Doezé.

Winnaar Zurrik-kenner 2009: Tonnie Huijbregts

Foto: Tonnie krijgt de Gouden Gerrit overhandigd door wethouder Frans Strik. In 2009 was de lat weer een beetje hoger gelegd bij de prijsvraag op www.zurrik.com. Na weken van fietsen, speuren en navragen door heel Soerendonk ging TONNIE HUIJBREGTS-STAALS er met de hoofdprijs vandoor, een terechte winaares!
 
LetsStat website statistieken